345

‘Tering,’ zeg ik als ik de auto parkeer en het grote huis zie. ‘Als ze hier woont heeft ze flink wat geld.’

Ik stap uit en steek een sigaret op terwijl ik naar de witte villa kijk die scherp afsteekt tegen de donkere avondlucht.

Plotseling krijg ik een onbehaaglijk gevoel. Wat doe ik hier eigenlijk? Ik ken die vrouw geeneens. Toen ik haar ontmoette in de trein lachte ze lief en deed aardig, maar dat zegt niets.

Ik haal diep adem en gooi de peuk op de grond. ‘Fuck it,’ mompel ik en loop richting de voordeur.

De tuin is slecht onderhouden. Rommelig en overal onkruid.

Ik druk op de bel. Een paar tellen later gerommel achter de voordeur die vervolgens langzaam open gaat. Haar hoofd verschijnt. Een glimlach. Ze draagt een rode jurk. Haar donkere haren zijn nat. Een parfumwalm en veel make up. Ze heeft haar best gedaan. Shit, straks vindt ze me leuk.

‘Hoi Mathijs,’ zegt ze.

‘Alles goed?’ mompel ik.

Ze lacht. ‘Bijna alles. Kom binnen.’

Ik doe wat ze zegt en volg haar naar de woonkamer.

Een hoog plafond, dure meubelen en een piano. Klassieke stijl. Intrigerend.

‘Wil je je jas niet ophangen?’ vraagt ze.

Ik trek mijn jas uit en reik hem aan. ‘Kun jij het doen? Ik weet niet waar de kapstok is.’

Ze lacht. ‘Natuurlijk meneer.’ Ze pakt mijn jas aan en verdwijnt naar de gang.

Ik ga achter de piano zitten. Mijn vingers strelen de toetsen.

‘Je voelt je al thuis?’ hoor ik achter me.

Ik kijk over mijn schouder. Ze heeft haar handen in de zij en kijkt geamuseerd.

‘Mag ik een deuntje spelen?’ vraag ik.

Ze knikt.

Ik druk wat toetsen in en zeg: ‘Eigenlijk kan ik geen piano spelen.’

‘Ik kan het je leren,’ zegt ze.

‘Nee,’ zeg ik terwijl ik overeind kom. ‘Ik ben niet muzikaal. Het is zonde om tijd te besteden aan iets waar je geen talent voor hebt. God wil niet dat we onze tijd verdoen.’

Ze fronst. ‘Ben je gelovig?’

Ik knik. ‘Vind je dat vreemd?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Daar heb ik geen mening over.’

‘Goedzo,’ zeg ik. ‘En nu? Blijven we hier staan of gaan we zitten?’

Ik wijs naar de bruinleren bank.

Ze knikt. ‘Neem plaats. Wil je iets drinken?’

‘Water.’

‘Ik neem een wijntje,’ zegt ze.

‘Dat moet jij weten,’ zeg ik, loop naar de bank en plof neer. ‘Zo, dat zit lekker.’

Even later zet Saskia een glas wijn en een glas water op de glazen salontafel.

‘Je ziet er mooi uit,’ zeg ik. ‘Die jurk staat je goed.’

Ze lacht. ‘Dankje,’ en komt naast me zitten. Iéts te dichtbij naar mijn smaak, waardoor ik een beetje uit haar richting schuif.

‘Zit ik te dichtbij?’ vraagt ze.

‘Zo is het goed,’ zeg ik.

Ze buigt voorover en pakt het glas wijn. Ze heeft een mooi figuur, slank en welgevormd.

Ik pak het glas water. ‘Proost,’ zeg ik en onze glazen klinken.

‘Vertel,’ zegt ze. ‘Waarom ben je werkloos?’

Ik zucht. ‘Ander onderwerp.’

‘Nee,’ zegt ze. ‘Ik wil het weten.’

Plotseling klinkt ze serieus. Ik kijk haar een poosje aan om in te schatten waar ik verstandig aan doe. Ik zou kunnen zeggen: ‘Je kan zoveel willen, maar ik geef de informatie die ik nodig vind.’

Maar dat zou onvriendelijk klinken. En waarom zou ik niet gewoon de waarheid vertellen? Ben ik bang voor afwijzing?

‘Nou?’ zegt Saskia ongeduldig.

‘Ik ben niet werkloos,’ zeg ik tenslotte. ‘Eigenlijk werk ik in een verpleeghuis. Maar het is vrijwillig, dus geen echte baan. Het is onbaatzuchtig. Ik ben een soort heilige.’

‘Kun je ook serieus zijn?’ vraagt ze.

Ik lach. ‘Sorry. Ik doe vrijwilligerswerk omdat ik wat persoonlijke probleempjes heb gehad en weer langzaam in het werkritme moet komen.’

‘Wat voor probleempjes?’

‘Ik ben alcoholist.’

Ze lacht en heft haar handen in een hulpeloos gebaar. ‘Ik geef het op. Je wilt duidelijk niet over jezelf praten.’

Ze gelooft me niet. En misschien is dat maar beter ook.

‘Laten we het over jou hebben,’ zeg ik. ‘Wat doe jij in het dagelijks leven?’

‘Ik ben secretaresse op een advocatenkantoor.’

‘Oja,’ zeg ik, ‘dat zag ik op je visitekaartje,’ en ik kijk om me heen. ‘Maar daar betaal je toch nooit zo’n groot huis van? Hoe kom je aan je geld?’

‘Waarom wil je dat weten?’ vraagt ze.

Ik haal mijn schouders op. ‘Gewoon. Straks ben je een crimineel ofzo.’

Ze lacht. ‘Ik ben geen crimineel, maar hoe ik aan mijn geld kom gaat je niets aan.’

‘Oké,’ zeg ik. ‘Wat maakt het ook uit. Dat je rijk bent zegt me niets. Werelds bezit. Binnenkort moet je dat allemaal achter je laten.’

‘Binnenkort?’

‘Als je dood bent.’

‘Ik verwacht niet binnenkort dood te gaan.’

‘Over tachtig jaar zijn we allemaal dood,’ zeg ik. ‘En dan heb je niets aan dit mooie huis. Of aan je gevulde bankrekening. Dat zijn geen verdienste die je mee kunt nemen. God kijkt niet naar materieel bezit.’

‘Ik geloof niet in God.’

‘Aha,’ zeg ik. ‘Je ziet leuk uit, hebt een lieve lach, maar je bent ongelovig, dus je ziel is leeg. Shit.’

‘Je moet niet zo snel oordelen,’ zegt ze, lichtelijk geïrriteerd. ‘Je weet niets van mij.’

‘Dan moet je wat vertellen,’ zeg ik.

‘Oké,’ zegt ze en ze begint te praten…

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close