333

Gisteren werkte ik weer in het verpleeghuis.

In de activiteitenzaal zong een vrijwilliger liedjes voor de bewoners.

Ik zat naast mevrouw Waasdorp, een klein oud vrouwtje in een rolstoel.

Toen de vrijwilliger begon met zingen, schudde ze haar hoofd en zei:

‘Wat een kutmuziek.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Hij zingt behoorlijk vals.’

Mevrouw Waasdorp knikte en riep naar de zanger: ‘Klootzak. Ga naar huis!’

Toen pakte ze mijn arm vast en zei: ‘Wist je dat we geld betalen voor dit verpleeghuis? Een flink bedrag per maand.’

‘Vindt u het niet leuk hier?’ vroeg ik.

Ze maakte een wuivend gebaar. ‘We worden allemaal belazerd.’

‘Tja,’ zei ik. ‘Zo is het leven.’

Mevrouw Waasdorp begon te lachen. ‘Ik hoop dat je nooit oud wordt, jongeman. Anders eindig je ook op een plek als deze.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is best een leuk verpleeghuis.’

‘Ach jongen,’ zei ze. ‘Het heeft toch allemaal geen zin. We zitten hier als kinderen naar een of andere idioot te luisteren die vals zingt. Dat is toch geen leven.’

‘Geniet er nog maar even van,’ zei ik. ‘U zult waarschijnlijk niet lang meer leven.’

Ze lachte. ‘Ik ga liever vandaag dan morgen dood.’

‘Ik ook,’ zei ik.

Ze keek me eventjes verward aan. Toen schudde ze haar hoofd en begon weer op de zanger te schelden.

‘Klootzak! Viezerik! Met je kutmuziek!’

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close