219

Gisteren was ik in de avondwinkel om sigaretten te kopen. Voor me stond een naar alcohol stinkende vrouw. Ze was aan het schreeuwen tegen de eigenaar van het winkeltje, een kleine Arabische man.

Ze hield een halve liter Bavaria omhoog en riep iets onverstaanbaars. De eigenaar schudde zijn hoofd. ‘Ga nou geen problemen maken.’

‘Kanker turk,’ schreeuwde de vrouw. Ze smeet het blik bier op de vloer en riep driftig de winkel uit.

De man keek me aan en maakte een hulpeloos gebaar met zijn handen.

Ik raapte het blik bier op. ‘U krijgt hier natuurlijk allemaal idioten in de winkel.’

Hij knikte. ‘Veel dronken mensen en junkies.’

‘Heeft u wel een honkbalknuppel ofzo?’ vroeg ik.

‘Ja, maar je mag niet slaan zolang ze niets strafbaars doen.’

Ik lachte. ‘En anders wel?’

‘Als ze stelen mag je slaan,’ zei hij.

‘Oké. Gebeurt dat vaak?’

‘Gelukkig niet, vriend,’ zei hij. ‘Een Marlboro?’

Ik knikte. ‘Bent u nooit bang?’

‘Jawel. Laatst moest ik de politie bellen. Ze kunnen niets doen. Die junkies worden soms opgepakt maar na een paar uur weer vrijgelaten.’

‘Tja. Iedereen heeft rechten in Nederland. Dat is een probleem.’

Hij knikte. ‘Wat kun je eraan doen?’

‘Niets. Het onrecht heerst op aarde. Maar God zal rechtspreken. Daarom kun je beter geen geweld gebruiken. Ze worden vanzelf wel gestraft.’

‘Misschien,’ zei hij.

‘Zeker weten,’ zei ik. ‘Eigenlijk is hun manier van leven al een straf. Daarom moeten we bidden voor hun verlossing.’

De man lachte. ‘Fijne avond, vriend.’

‘Pas goed op uzelf,’ zei ik. ‘Tot ziens.’

En ik verliet de avondwinkel.

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close