156

In het ziekenhuis sta ik in de rij van de parkeerautomaat.

Voor me staat een man van een jaar of vijftig met een kale kop en een tattoo in zijn nek. Hij kijkt naar het betaalscherm en schudt zijn hoofd. ‘Kankerzooi,’ zegt hij met een Haags accent. ‘Wat zijn dit voor joden prijzen.’

Hij kijkt om en lacht naar me. ‘Ja toch?’

‘Inderdaad,’ zeg ik.

De man trekt zijn kaartje uit de automaat en wendt zich weer tot mij.

‘Kankerduur toch?’

Ik knik, hoewel ik geen idee heb van de prijzen.

‘Je zou er bijna van radicaliseren,’ blaft de man terwijl hij een stap opzij doet zodat ik erbij kan, ‘en een aanslag plegen.’

‘Ja,’ mompel ik en doe mijn kaartje in de automaat. ‘Pleeg jij maar een aanslag.’

De man doet zijn handen in de zij en blijft nog even staan. ‘Net als op die kanker Telegraaf.’

Als ik betaald heb, loop ik langs de man en klop hem in het voorbijgaan op zijn schouder. ‘Fijn weekend. Geen gekke dingen doen, hé?’

‘Ikke niet,’ roept hij me achterna, en begint vervolgens hard te lachen. ‘Dat laat ik aan de moslims over.’

Ik zucht en verlaat door de draaideur het ziekenhuis.

Advertenties
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close