95

Ik was net bij mijn negentig jaar oude oma op bezoek in het verpleeghuis. Ze zat in de gezamenlijke huiskamer aan een tafel en staarde voor zich uit. Ik ging naast haar zitten, waarna ik een zoen op haar wang gaf.

‘Alles goed oma?’

‘Jawel jongen. Maar ik weet niet waar ik ben.’

‘U bent in het verpleeghuis.’

‘Ik vind het hier niet leuk. En hoe moet ik terug? Ik weet niet waar de auto staat, dus dat wordt een flinke wandeling.’

‘U heeft al jaren geen auto meer, oma.’

‘Oh,’ zei ze en vervolgens sloeg ze haar blik neer.

Ik keek om me heen. Aan de andere kant van de tafel lag een man voorovergebogen met zijn gezicht op de tafel te slapen. Verderop zat een vrouw in een rolstoel, in zichzelf te praten.

‘Wat ben je groot geworden,’ zei mijn oma.

‘Ja,’ zei ik. ‘Goede genen in onze familie. Maar bevalt het u hier? Of wilt u nog steeds naar huis?’

‘Ik wil dood,’ zei ze.

Ik knikte. ‘Dat snap ik. Het leven is een lijdensweg. Maar het zal niet lang meer duren voor u. Dadelijk is alles voorbij.’

M’n oma schoot in de lach en sloeg met haar handen hard op de tafel.

‘Bent u bang voor de dood?’ vroeg ik.

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik wil graag dood.’

‘Kan ik me voorstellen,’ zei ik terwijl ik een blik wierp op de omgeving. ‘Nog even volhouden. Echt, voordat u het weet is het voorbij.’

Na een onsamenhangend gesprek en twee kopjes koffie kwam ik overeind. ‘Ik ga er vandoor.’

‘Dat is goed, Pieter.’

‘Ik heet Mathijs,’ zei ik bukkend en haar een zoen gevend. ‘Tot ziens.’

En ik liep de afdeling af. Een man met kromme rug leunde op zijn wandelstok. Er hing kwijl uit zijn mond terwijl hij me met grote ogen aankeek. Ik knikte naar hem en stapte daarna de lift in.

Wat is het leven toch vreemd, dacht ik. We laten ons meesleuren door de waan van alledag, alsof dat er iets toe doet. En uiteindelijk eindigen we op een plek als deze. Kortom, het leven is volslagen zinloos.

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close