Verloren onschuld

Vanochtend ben ik naar Waddinxveen gereden, het dorp waar ik tot mijn veertiende heb gewoond. Ik parkeerde de auto bij het Gouwe Bos. Als kind speelde ik hier met vriendjes, we deden oorlogje, klommen in bomen en bouwden hutten.

Ik stapte uit en liep het veld op. De geur van het gras gaf een vreemd gevoel in mijn buik. In het midden ging ik op het gras zitten, en staarde voor me uit. Hier voetbalde ik vroeger met de andere kinderen van de basisschool. Tot mijn twaalfde was het leven geweldig, op school was alles veilig, we hadden een geweldige klas, en elke ochtend fietste ik enthousiast een nieuwe dag tegemoet.

Na de basisschool werd het minder, en vooral toen ik op mijn veertiende naar Noordwijk verhuisde, zou alles veranderen. Het bleek dat populariteit en veiligheid niet zo vanzelfsprekend waren. Op mijn nieuwe school in Noordwijk vond ik geen aansluiting en raakte eenzaam.

Het eerste jaar na de verhuizing was het ergste uit mijn leven. Elke ochtend ging ik met angst en tegenzin naar school, walgend van de nieuwe rol van vreemdeling, niet in staat tot het maken van contact.

Omdat ik tegenover mijn ouders niet wilde toegeven geen vrienden te kunnen maken, zei ik na schooltijd tegen mijn moeder dat ik naar mensen uit de klas toe ging. Vervolgens fietste ik urenlang door de omgeving in mijn eentje, het liefst in de rustige gebieden, zodat niemand me zou zien.

Op een van die fietstochtjes, zag ik mijn oudere broer op een schoolplein voetballen met zijn maatjes. Hij had wel vrienden gemaakt. Ik raakte in een soort paniektoestand, en fietste naar het strand dat verlaten was, en liep de zee in. Ooit had ik in een film gezien dat iemand op die manier zelfmoord pleegde. Maar ik was veel te bang. De angst weerhield me van de dood.

Ik ben naar huis gegaan en ging naar mijn kamer. Daar zette ik muziek aan, en fantaseerde dat ik vrienden had. Het probleem lag bij de klas, dacht ik. Een jaar blijven zitten was de oplossing. Vanaf dat moment gaf ik expres de verkeerde antwoorden op proefwerken.

Ik moest al snel bij mijn docent Nederlands en mentor op gesprek komen. Ze vond het vreemd dat ik plotseling zulke lage cijfers haalde. Ze vroeg of het goed met me ging en dat ze dacht dat ik moeite had vrienden te maken. Shit, dacht ik, ze heeft me door. Ik zei dat mijn lage cijfers juist kwamen omdat ik zoveel leuke dingen deed na schooltijd. Ze vroeg met wie. ‘Vrienden uit Waddinxveen,’ verzon ik.

Een paar maanden later kwam het telefoontje, mijn vader nam op en hem werd verteld dat zijn zoon was blijven zitten. Daar snapte hij niets van. Zijn brave zoon, hoe kon dat nou?

Ondanks de woede-uitbarsting van mijn vader, was ik blij dat het gelukt was. En ik besloot het nieuwe jaar anders aan te pakken. Cannabis roken werd steeds populairder, en als ik wiet of hasj bij me had, mocht ik soms mee om een joint te roken met de in mijn ogen stoere jongens. Van het geld dat ik verdiend had door in de bloemen te werken bij mijn oom, kocht ik wiet en nam dat mee naar school.

Ook oefende ik mijzelf in zo stoer mogelijk overkomen, want ik wilde dat men dacht dat ik een coole gozer was. Urenlang stond ik voor de spiegel een nonchalante blik en houding te oefenen. Ik beeldde mij ook in wat mensen konden zeggen, en hoe ik dan zou reageren.

Op een dag ging dat mis. Twee populaire meisjes uit de klas kwamen voor de les naar me toe. De hele klas stond er omheen. Ze zeiden: ‘Matthijs, je zegt nooit wat. Je hebt zeker geen vrienden,’ en iedereen lachte. Ik kon geen woord uitbrengen en voelde dat ik bloosde, en ben toen weggelopen.

Woedend op mezelf vanwege die afgang, ging ik thuis voor de spiegel staan en zei:‘Wil je nou stoer zijn of niet?’ en sloeg mezelf met de vuist in mijn gezicht. ‘Nou?’

Ik bleef wiet kopen en mocht steeds vaker mee met een groep jongens. Mijn strategie werkte, ik kreeg vrienden. Vooral toen in onze achtertuin een schuurtje door mijn broer en zijn vrienden was omgebouwd tot hangplek, kon ik ook mensen uitnodigen. We noemden het de ‘hang out.’

Na de wiet kwam ook de alcohol in beeld. En dat was pas echt iets wat ik heerlijk vond. Alcohol had twee voordelen. Ten eerste kon ik stoer doen omdat ik snel en veel dronk, en ten tweede verdween de onzekerheid.

We blowden, zopen, en gingen naar de kroeg. Tijdens het uitgaan ontdekte ik nog iets leuks, namelijk ruzie zoeken met andere jongelui. Dat deden wij als groep heel bewust, we zochten andere jongeren op en gingen daar dan in de buurt staan, bijvoorbeeld op de dansvloer. Als iemand dan naar ons keek of tegen ons opbotste, riepen we: ‘Wat moet je dan joh,’ en vervolgens werd het schelden en soms vechten. Regelmatig struinden we de plaatselijke horeca af, op zoek naar geweld.

Mijn gevoel verdween volledig. De verdringing die ik na de verhuizing had ingezet, was geslaagd. Verdringing is iets anders dan het gevoel tijdelijk uitschakelen. Het was namelijk niet zo dat ik ’ s avonds thuiskwam en dacht: ‘Wat heb ik gedaan?’ en dat ik mij slecht voelde. Nee, ik was permanent gevoelloos. Als iemand over gevoelens begon, lachte ik en sprak over vrouwelijke zwakte. Dat was geen toneelspel. Ik voelde echt niéts meer. Dat ik zo’n hekel had aan mensen die over gevoelens spraken, kwam uiteraard omdat ik zelf mijn gevoelens op een ruwe manier had verdrongen, maar daar had ik op dat moment geen flauw benul van.

Wel werd ik steeds agressiever, want agressie is een uitstekende manier om innerlijke pijn en verdiet te verplaatsen naar externe zaken. Het hield de pijn bij mezelf weg. De groep waarmee ik omging bleef tijdens het uitgaan ruzie zoeken met andere jongeren, en soms resulteerde dat in een hevige knokpartijen.

Op een avond ( ik was er zelf niet bij ), werd een vriend tijdens een van die ruzies doodgestoken, zestien jaar oud. Er volgde een stille tocht tegen zinloos geweld, maar ook toen voelde ik niets. Wel zag ik al die huilende mensen, en begon mij af te vragen of het wel gezond was dat ik zo weinig voelde.

Op mijn achttiende stortte ik in. Ik at en sliep nauwelijks, voelde me een zombie en wilde alleen nog dood. Mijn moeder en ik gingen naar de huisarts. Hij zei: ‘Je bent depressief,’ en schreef me antidepressiva voor.

Geen enkele vraag over drank of drugsgebruik, over waarom ik gevoelloos was geworden, over waarom ik agressief was, over waar ik vandaan kwam en zo geworden was. Nee, de huisarts stelde mij gerust, het was gewoon een ziekte. En ik was blij dat ik een pilletje kreeg. Toen ik na twee weken verdoofd was, weet ik nog dat ik tegen vrienden zei: ‘Het is geweldig, een soort drugs maar met permanente werking.’

Ik kon het leven weer aan. Dat wil zeggen, ik kon weer in de bloemen werken en in het weekend dronken worden, snuiven en xtc slikken.

Omdat er niets veranderde, ging het na twee jaar weer fout. Toen kwam ik bij een psychiater terecht. Hij zei: ‘Je kunt beter Efexor slikken dan Seroxat. En 75 mg is te weinig, vanaf nu ga je 150 mg slikken.

Ik vroeg hem of hij ook iets kon zeggen over de oorzaak van mijn depressieve gevoelens.  ‘Depressie komt vaak voor tijdens de jong volwassenheid,’ zei hij. ‘En bovenal is het een ziekte in de hersenen.’

Opnieuw gedrogeerd ging ik door met leven. Later kwam ik nog een stuk of tien keer bij psychiaters en psychologen terecht. De een zei dat ik hoog gevoelig was, de ander hield het op ADHD, en uiteindelijk gaf een oude psychiater mij de diagnose borderline. Want al had ik maar vier symptomen van de vijf die eigenlijk nodig waren voor de diagnose, de zorgverzekeraar zou de therapie vergoeden die men daar aanbood, als ik de diagnose had.

Pas toen ik 27 was, en de boeken van Freud en andere psychoanalytici begon te bestuderen, kwam de waarheid over mijn leven naar boven. Ik ging mediteren en mijn gedrag analyseren, en dat veranderde alles. De emoties kwamen met bakken tegelijk, en ik huilde hele dagen lang. Sinds kort ben ik ook bezig de verslavingen te bestrijden, en eindelijk, na zoveel jaren zelfbedrog, ben ik nu het juiste pad ingeslagen.

En mijn gedachten gingen uit naar de vriend die op zijn zestiende vermoord is. Voor niets, tijdens een vechtpartij onder invloed van allerlei troep. En aan een andere vriend die een jaar geleden aan een overdosis is overleden. En aan al die anderen die met verslavingen worstelen.

Daar dacht ik vanochtend aan, zittend op het gras van het voetbalveldje uit mijn jeugd. En ik begreep op een dieper niveau waarom dit dorp mij zoveel warme gevoelens geeft. Het is de enige plek waar ik zuiver was.

Ik liet me achterover vallen in het gras. En met mijn blik op de hemel gericht zei ik: ‘Bedankt voor de nieuwe kans.’

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close