56

Het gesprek met Madeleine over Augustinus zorgde ervoor dat ik zodra ik thuis kwam zijn boek opensloeg. Weinig boeken heb ik zo vaak gelezen als de belijdenissen. Het deed me ditmaal denken aan een gebeurtenis vorig jaar.

Toen heb ik een ochtend meegelopen met de monniken in een klooster. In de ochtend psalmen zingen en daarna een persoonlijk gesprek met een monnik.

Ik kwam zijn kamer binnen en keek mijn ogen uit, het was een troep, overal lagen opengeslagen boeken en er stonden zelfs twee flessen wijn waardoor ik lachte.

‘Jij dacht zeker dat we hier niet dronken,’ zei de monnik, een grijs klein mannetje.

‘Ja, inderdaad,’ zei ik en nam plaats op de bank.

Hij vroeg waarom ik in een klooster wilde leven en toen vertelde ik dat het leven in de wereld mij niet bevalt. Dat ik in de bijstand zat en dat werken in de samenleving al 30 keer mislukt was. Dat ik door de slechtheid van mensen geloofde in de woorden van Jezus.

De monnik lachte. ‘De maatschappij is vreselijk,’ zei hij. ‘En ik snap wat je vertelt. Maar je kunt niet zomaar een klooster in, beste knul. Het kloosterleven is trouwens ook niet alles. Overal waar mensen zijn ( hij knikte in de richting van de ruimte waar de andere monniken op dat moment zaten), overal waar mensen zijn is slechtheid. We zingen luid mee met de psalmen maar in ons hart zijn we verdorven.

‘Jullie moeten daar op mediteren en bidden,’ zei ik.

De monnik schoot weer in de lach. ‘Je bent grappig,’ zei hij en kwam overeind, trok een boek uit de kast, en gaf het aan. Ik bladerde erin. Het ging over de beginselen van de kloosterorde. ‘Wow,’ zei ik. ‘Alles komt van Augustinus.’

‘Je idool, toch?’ lachte de monnik.

Ik nam hem onderzoekend op. ‘Hoe weet u dat?’ vroeg ik, verbaasd dat hij dat geraden had.

‘Tja, jongeman,’ zei hij. ‘als je hier al vijftig jaar rondloopt, dan word je een beetje helderziend.’

‘Wow,’ zei ik. ‘U bent een vreemde vogel.’

‘Daarom woon ik in een klooster,’ zei hij met een knipoog.

Ik lachte. ‘Kan ik hier niet komen wonen? Ik ben ook vreemd. En het is zo heerlijk stil. Thuis heb ik een ventilator aanstaan om de geluiden bij de buren niet te horen.’

‘Vreselijk,’ zei de monnik. ‘Maar je moet niet vergeten dat het leven heel kort is. Voor de ziel slechts een fractie. Maak je niet druk om wat geluid. Je moet luisteren naar je hart, en daar vormt het geluid van de wereld geen hinder voor.’

‘Tjonge. U bent een wijs man. Kan ik hier echt niet komen wonen? Ik hou ook van structuur, en bidden en mediteren doe ik al.’

‘Helaas,’ zei de monnik en toen vroeg hij me verder over mijn dagelijkse bezigheden. Ik vertelde, en vooral toen het over Tinder ging was hij opvallend geïnteresseerd. Hij zat voortdurend te grinniken.

Ten slotte zei ik: ‘Toch wil ik hier wonen.’

De oude man schudde zijn hoofd en keek me doordringend aan. ‘Alles komt goed Mathijs. Vergeet het klooster. Jouw plek is daar,’ zei hij en wees naar buiten.

‘Maar de wereld is zo’n nare plek.’

‘Wacht geduldig af, beste kerel. God heeft een plan met jou.’

‘Denkt u?’

‘Dat denk ik niet, jongeman, dat weet ik zeker. En nu gaan we naar de eetkamer. Vandaag eten we soep en brood,’ zei hij terwijl hij opstond. ‘Morgen trouwens ook,’ lachte hij. ‘en overmorgen.’

Na de lunch namen we afscheid. Terug in de auto voelde ik me een soort verlaten. Die mannen leefden heel vredig en in volmaakte rust. Ik was jaloers. Maar de oude monnik zei dat mijn plek in de wereld was. Het was een prachtige vent. Rust, zelfinzicht en zachtheid. Waren alle mensen maar zo.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close