Bij de koffieautomaat

Sinds twee dagen werk ik op een kamer waar bureaus en computers staan. Er zitten mensen die met ernstige gezichten naar hun scherm kijken. Ze noemen het kantoor.

Terwijl ik daar gisteren zat en op mijn monitor keek, vroeg ik mij af waarom we leven. Het antwoord kwam niet. Zuchtend stond ik op. ‘Iemand koffie?’ vroeg ik. Twee collega’s reageerden niet en de derde mompelde: ‘Zwart.’

Bij de koffieautomaat stond een kleine man van een jaar of vijftig met een kaal hoofd, rond brilletje en twee reusachtige voortanden. Hij staarde bedenkelijk naar de inhoud van zijn bekertje.

‘Niet goed?’ vroeg ik.

Hij lachte heel hard. Geen idee waarom. ‘Jou ken ik niet,’ zei hij.

‘Dat kan kloppen. Dit is mijn tweede dag. Ik werk op de administratie. En u?’

Hij wees naar de ruimte achter ons. ‘De dooozen vouwen.’

‘Aha. Bijstand of Wajong?’

‘Wajong,’ zei hij en begon toen te lachen waarbij hij eigenaardig geluid voortbracht. Er kwam kwijl uit zijn mond.

‘Wat mankeert eraan?’ vroeg ik. ‘Ik heb wel even de tijd.’

Weer schaterde hij het uit.

Ik hief mijn bekertje. ‘Proost.’

Hij tikte met zijn bekertje het mijne aan, waarna hij met de mouw van zijn trui wat speeksel van zijn kin verwijderde.

‘Ik ben ook beperkt hoor,’ zei ik met een knipoog. ‘Alleen is het minder zichtbaar dan bij u.’

‘Matthijs!’ klonk het vanuit het kantoortje.

Ik gaf de man een hand. ‘Volgende keer praten we verder, fijne dag nog hé.’

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close